In het eerste deel van ‘Praten tijdens de les, het moet!’ zijn de eerste drie onderdelen van de ‘schijf van vijf’ (Westhoff, 2008) behandeld. Patricia Rose leidt ons door de schijven heen en geeft praktische tips aan docenten en studenten. Het doel: meer gespreksvaardigheid oefenen tijdens de les en een grotere rol voor deze vaardigheid in de (eind)beoordeling.

Voorgaande schijven

De eerste drie schijven hebben betrekking op de input en de inhouds- en vormgerichte verwerking. Bij de input is het van belang om veel Engelse taal aan te bieden en deze te herhalen in diverse vormen, zoals het bekijken van filmpjes en het lezen van teksten. De inhoudsgerichte verwerking betreft een betekenis geven aan het geleerde. Aansluiten bij de interesses van de studenten of thematisch werken zal hier een grote rol bij spelen. Ten slotte is de vormgerichte verwerking behandeld. Deze verwerking richt zich voornamelijk op taalstructuren en chunks. In eerste instantie zal deze schijf minder aan bod komen, omdat studenten door indirecte verwerving chunks onbewust verwerven en hanteren. Op hogere niveaus zal deze schijf meer worden belicht doordat taalstructuren expliciet worden uitgelegd.

Vierde schijf: productieve rol student

Binnen de vierde schijf staat de productieve rol van de student centraal. Door een opbouw door de jaren heen te hanteren, zal een student groeien van enkele woorden naar hele gesprekken. Leer de studenten eerst enkele chunks aan die ze tijdens een gesprekje kunnen gebruiken. Om de angst van het gesprek weg te nemen, wordt aangeraden om eerst in kleine groepjes, bijvoorbeeld tweetallen, de opdrachten uit te voeren.

Buiten de opdracht om zal de docent de gewoonte creëren om ‘klassentaal’ te gebruiken. Deze taal chunks houden de dagelijkse taal in die voor handelingen en gedragingen wordt gebruikt. Zowel docenten als studenten hanteren deze taal chunks elke les in min of meer dezelfde vorm. Het aanleren van ‘klassentaal’ begint al op de basisschool en sluit aan bij de belevingswereld en de leeftijd.

Wanneer de studenten veelvoorkomende chunks beheersen, kan het stellen van vragen worden geoefend. Hierin kan ook een opbouw worden gehanteerd van standaard vragen stellen (‘How old are you?’) naar meer complexe vragen (‘Why on earth did you go there?’). Het antwoord op meer complexe vragen lokt ook een complexer antwoord uit en zodoende ontstaan gesprekken. In de loop van de tijd worden in die gesprekken meer chunks en taalstructuren toegepast en uiteindelijk geautomatiseerd.

Bij deze schijf heeft Patricia Rose een boodschap aan de studenten; ‘Wees vrij in de nieuwe taal, probeer uit en leer van je fouten. Op deze wijze leer je de taal het beste spreken.’

Vijfde schijf: strategisch handelen

De laatste schijf gaat over het strategisch handelen. Dit houdt in dat studenten strategieën krijgen aangeleerd die gebreken in de nieuwe taal kunnen compenseren. Westhoff beschrijft twee soorten strategieën, namelijk receptieve en productieve. Bij de receptieve strategie raden studenten naar de woorden en gebruiken zij hun voorkennis. Bij de productieve strategie kunnen studenten woorden vermijden of omschrijven.

Tijdens één les is het lastig om aan alle vijf de schijven evenveel aandacht te besteden. Daarom is het van belang dat de schijven in balans moeten zijn. In de ene les heb je meer aandacht voor strategisch handelen en in de andere les meer aandacht voor oefenen, herhalen en produceren van chunks. Zorg er wel voor dat elke les iets van alle schijven bevat. Hieronder een voorbeeld waarin alle vijf de schijven zijn verwerkt.

Voorbeeldles

We nemen een les uit Breakthrough van English Premium als uitgangspunt. Voordat de studenten aan deze les kunnen beginnen, hebben zij input nodig over voorzetsels en al enkele vaardigheden in het beschrijven van woorden en het stellen van vragen. De input voor de les verkrijgen de studenten door online de vocabulaire-, luister-, schrijf- en leesopdrachten te maken. Johan Keijzer (2016) besteedt in zijn boek aandacht aan de vaardigheden beschrijven en vragen stellen met de opdrachten ‘Wat staat er op je kaartje?’ (beschrijven) en ‘Ben ik een banaan?’ (vragen stellen). Tijdens de introductie van de les kun je de input van de voorzetsels herhalen door een korte oefening te doen waarbij de studenten moeten aangeven waar de punt zich bevindt op het digibord ten opzichte van het centrale punt.  

Neem voor de tweede activiteit foto’s die de studenten aanspreken. Als sport bijvoorbeeld een belangrijk onderdeel is van hun dagelijks leven, print dan diverse sportfoto’s. Tijdens deze activiteit heb jij een voorbeeldrol. Jij beschrijft de foto en de studenten tekenen dit op een vel papier. De studenten stellen vragen wanneer iets niet duidelijk is. Laat tijdens deze opdracht ook merken dat je een woord niet weet en deze moet beschrijven.

Wanneer de tekeningen zijn vergeleken met de foto, gaan de studenten in tweetallen dezelfde opdracht uitvoeren. Geef tijdens het uitdelen van de foto’s aan dat de studenten aandacht besteden aan het juiste gebruik van de Present Simple. Met enkele voorbeelden van studenten zal de regel weer helder zijn. Door sportfoto’s met veel en weinig details te printen, kan je prima  differentiëren. De sterke studenten krijgen de foto’s met de meeste details. Veel studenten vinden deze opdracht leuk en hilarisch, vooral het gedeelte waarbij ze de tekening vergelijken  met de foto.

Wanneer je pas begint met het invoeren van gespreksvaardigheid in de les, zal dit veel informatie in één keer zijn. Patricia Rose heeft voor die docenten een tip; ‘Doe wat je altijd hebt gedaan en voeg beetje bij beetje iets toe van de ‘schijf van vijf’. Stel voor de komende periode een doel voor jouw lessen en uiteraard ook voor je studenten.’

Let’s talk!

Literatuurlijst

Keijzer, J., Verheggen, K., & Van Gils, D. (2016). Differentiëren in het talenonderwijs: Kleine ingrepen, grote effecten. Bussum, Nederland: Uitgeverij Coutinho.